8 x verwijzen naar de mondhygiënist

Mensen komen in de regel NIET met mondproblemen bij de huisarts, (diabetes)verpleegkundige of de diëtist. Maar de problemen waarvoor zij komen kunnen wel als gevolg hebben dat ze het gebit of parodontium aantasten (direct of indirect).

Hier zomaar een aantal voorbeelden waarbij verwijzing naar of overleg met de mondhygiënist en/of tandarts op zijn plaats is:

  1. Volgens de NHG-standaard zou de huisarts al zijn cliënten met diabetes mellitus, het advies moeten geven tweemaal per jaar een bezoek aan de tandarts en/of mondhygiënist te brengen. Ook de diëtist kan de cliënt die bekend is met diabetes mellitus en slecht gereguleerd is (HbA1C > 53) op een bezoek aan de mondzorgverlener attenderen. Parodontitis wordt in Amerika wel de 5de diabetescomplicatie genoemd. Een mondzorgverlener (tandarts of mondhygiënist) kan de gezondheid van het parodontium in kaart brengen. Mensen hebben meestal geen last van parodontitis, maar onbehandeld kan het vroegtijdig verlies van de gebitselementen veroorzaken.

  2. Langdurig bestaande reflux oesophagitis en eetstoornissen kunnen tanderosie tot gevolg hebben. Het zuur wat uit de maag in de mond terecht komt beschadigt de glazuurlaag van de tanden. Laat cliënten met reflux oesophagitis en eetstoornissen daarom contact opnemen met de mondzorgverlener. Zij kunnen de gebitsslijtage in kaart brengen en een preventief of restauratief plan opstellen. Geef altijd tips (in samenspraak met de mondzorgvelener) hoe verdere schade te beperken.

  3. Binge-eaten en craven; voedingsgedrag dat de mond kan schaden. Als je als diëtist merkt dat je cliënt regelmatig en/ of grote hoeveelheden frisdrank, vruchtensappen en andere zoete dranken gebruikt is het zinvol om de cliënt er op te wijzen dat dit, naast overgewicht, kan leiden tot tanderosie en cariës. De mondzorgverlener kan mondfoto’s maken en samen met het tandheelkundig onderzoek een preventief plan opstellen eventueel in combinatie met gebitsrestauratie.

  4. Mondgeur. Vervelend maar meestal komt dit natuurlijk niet uit de maag. Cliënten denken dit nog wel eens. Heeft uw client last van halitose? Laat dan eerst de mondzorgverlener onderzoek doen. De kans dat de oorzaak in de mond is gelegen is meer dan 95%.

  5. Bij cliënten met kauw-en slikklachten blijft voeding vaak langer in de mond aanwezig. Door de verlengde verblijfsduur in combinatie met een verminderde ‘oral clearance’ neemt het risico op cariës toe. Als de kauw-en slikproblemen het gevolg zijn van monddroogte is ook de buffercapaciteit verminderd. De mondzorgverlener kan in dit geval de  gebitstoestand in kaart brengen en zonodig een preventief plan opstellen. Daarnaast geeft de mondzorgverlener advies over hoe de mond het beste verzorgt kan worden.

  6. Multimedicatie is een veelvoorkomende oorzaak van monddroogte. Het is zeker aan te raden clienten er op te wijzen dat de mondzorgverlener aanvullende preventieve adviezen kan geven en maatregelen kan nemen om de gebitsschade te beperken die het gevolg kunnen zijn van verminderde speekselvloed (hyposalivatie).

  7. Laat topsporters en wijnproevers ( zij hebben verhoogd erosie-risico) een preventief plan ter preventie van het gebit opstellen met hun mondzorgverlener.

  8. Cliënten met kanker hebben baat bij een goede mondhygiëne. Een goede mondhygiëne heeft een gunstige uitwerking op de smaak. Daarnaast kan de behandeling gevolgen hebben voor het gebit. Dit is specifiek het geval bij hoofdhalstumoren. De mondzorgverlener maakt doorgaans onderdeel uit van het multidisciplinaire team.

 

Je kunt meer lezen over de rol van alle zorgverleners in het hoofdstuk Zorgtaken van het boek Voeding en Mondgezondheid